De voorbije jaren leerden we allemaal hetzelfde: markten kunnen plots onrustig worden, en werkroosters kunnen van de ene maand op de andere kantelen. In de nieuwste wijzigingen zien we twee duidelijke bewegingen: pensioenspaarfondsen krijgen extra “schokdempers” om paniek en oneerlijke kosten te vermijden, en in de bewakings- en toezichtsector worden minimumprestaties per maand vastgelegd om meer voorspelbaarheid in werk en loon te brengen. Dat klinkt technisch, maar de impact is heel concreet: wanneer je je geld uit een fonds wil halen, of wanneer je wil weten hoeveel je minimaal zal werken, veranderen de spelregels merkbaar.

Pensioenspaarfonds mag terugbetalingen tijdelijk afremmen of spreiden bij uitzonderlijke marktomstandigheden

Wie aan pensioensparen doet, verwacht meestal één simpele belofte: je kan in- en uitstappen volgens de normale afspraken, aan de prijs van die dag. Maar bij zware marktstress (denk aan plotse beursdalingen, veel mensen die tegelijk willen verkopen, of moeilijk verhandelbare beleggingen) kan een fonds in de praktijk in de knel komen: als het te snel grote bedragen moet uitbetalen, riskeert het beleggingen tegen “soldenprijzen” te moeten verkopen. Dat is nadelig voor iedereen die in het fonds blijft.

Daarom wordt expliciet verankerd dat een beheermaatschappij in uitzonderlijke omstandigheden de uitgifte van deelbewijzen tijdelijk kan opschorten om de belangen van alle deelnemers te beschermen. In zo’n periode worden in- en uitstaporders uitgevoerd op basis van de eerste netto-inventariswaarde na de opschorting. Daarnaast kan de beheermaatschappij, zodra terugkoopverzoeken een bepaalde drempel overschrijden, beslissen om die terugkopen te spreiden over meerdere waarderingsmomenten (netto-inventariswaarden). In de praktijk is dit een “kraan” die even minder open kan: niet iedereen krijgt dan meteen alles uitbetaald, maar iedereen wordt proportioneel behandeld, en uitgestelde orders schuiven automatisch door naar een volgende verwerkingsdag zonder voorrang op latere aanvragen.

De impact voor het brede publiek is dubbel. Enerzijds verhoogt dit de bescherming van wie in het fonds blijft: het fonds krijgt ademruimte om niet onder druk te verkopen, en de kosten van een stressmoment worden minder snel doorgeschoven naar de ‘blijvers’. Anderzijds verandert het gevoel van onmiddellijke beschikbaarheid: wie net op een moeilijk moment wil uitstappen, kan merken dat de uitbetaling vertraagt of in stukken komt.

Een herkenbaar voorbeeld: stel dat er plots een algemene marktpaniek ontstaat en uitzonderlijk veel deelnemers tegelijk hun pensioenspaarfonds willen cashen. Zonder rem kan een fonds gedwongen worden om snel beleggingen te verkopen, wat de prijs kan drukken. Met spreiding of tijdelijke opschorting kan die verkoopdruk worden afgevlakt. Dat is minder aangenaam voor wie meteen geld nodig heeft, maar het is wel bedoeld als veiligheidsmechanisme om een collectieve schade te beperken.

Belangrijk om te onthouden: dit soort maatregelen is niet bedoeld voor “gewone” dagen, maar als noodrem bij buitengewone omstandigheden, en kan ook beperkt worden tot één of meerdere compartimenten binnen een fonds (bijvoorbeeld enkel een luik met minder liquide beleggingen).

Meer lezen:

Swing pricing: instap- en uitstapprijs kan meebewegen om kosten eerlijker te verdelen

Een fonds lijkt soms een eenvoudige winkel: je koopt of verkoopt aan de netto-inventariswaarde (de “dagprijs”). Alleen: elke in- en uitstap veroorzaakt echte kosten in de achtergrond. Als veel mensen tegelijk instappen, moet het fonds bijkopen; als veel mensen tegelijk uitstappen, moet het fonds verkopen. Denk aan transactiekosten, verschil tussen koop- en verkoopprijs, en soms ook liquiditeitskosten wanneer beleggingen niet vlot verhandelbaar zijn.

Met ‘swing pricing’ wordt het mogelijk om de netto-inventariswaarde van de deelbewijzen aan te passen met een vooraf bepaalde factor die die liquiditeitskosten weerspiegelt. Concreet: op dagen met uitzonderlijk veel in- of uitstappen kan de instap- of uitstapprijs een beetje hoger of lager uitvallen. Het doel is niet om deelnemers te “straffen”, maar om te vermijden dat de kosten van druk handelsverkeer onzichtbaar terechtkomen bij de groep die niets deed (de langetermijnbeleggers die gewoon blijven zitten).

Voor spaarders is het effect subtiel maar belangrijk. Op rustige dagen merk je dit meestal niet. Maar op dagen met veel beweging kan het verschil wél voelbaar zijn: wie dan koopt, betaalt mogelijk iets meer; wie dan verkoopt, krijgt mogelijk iets minder. In ruil blijft het fonds als geheel robuuster en worden kosten eerlijker toegewezen aan de mensen die de transacties veroorzaken.

Vergelijk het met een drukke spits op de weg: als iedereen tegelijk dezelfde afrit neemt, ontstaat file en extra kosten (tijd, brandstof, stress). Swing pricing is als een mechanisme dat die “spitskost” niet doorschuift naar wie op dat moment niet onderweg is, maar verwerkt in de prijs van wie precies dan beslist te rijden.

In de praktijk betekent dit ook dat fondsen transparanter moeten omschrijven hoe en wanneer ze zo’n aanpassingsfactor toepassen (bijvoorbeeld via hun eigen spelregels en informatie die bij het fonds hoort). Het basisidee is eenvoudig: bij uitzonderlijke handelsdruk wordt de prijs een beetje “geswungen” zodat de rekening terechtkomt waar de activiteit zit.

Meer lezen:

Bewakings- en toezichtsector: minimum maandelijkse arbeidsduur vastgelegd voor 2026 en 2027

In sectoren met shiften, pieken en onregelmatige opdrachten is werkzekerheid vaak niet alleen een kwestie van “een contract hebben”, maar ook van: hoeveel uren komen er effectief op je planning? Net daar wil deze maatregel meer houvast geven. Voor de bewakings- en toezichtsector wordt de minimum maandelijkse arbeidsduur vastgelegd voor 2026 en 2027, met concrete maandelijkse uren. Dat maakt het werkpatroon voorspelbaarder en helpt om inkomensschommelingen te temperen.

Voor 2026 staat de minimale maandelijkse arbeidsduur in een stelsel van 6 dagen per week per maand uitgedrukt in dagen én uren. Zo gaat het bijvoorbeeld van 160u25 in januari, 148u05 in februari, tot 166u36 in oktober, enzovoort. Ook is er een specifieke regeling rond feestdagen van de gemeenschappen, waarbij het aantal dagen en uren in bepaalde maanden aangepast wordt (met aparte aantallen voor de Vlaamse, Franstalige en Duitstalige gemeenschap). Dit is geen kleine voetnoot: in een sector waar planningen vaak door operationele noden worden bepaald, kan zo’n kalenderafspraak het verschil maken tussen een maand die financieel “klopt” en een maand die onverwacht tegenvalt.

De gevolgen voor werknemers zijn concreet. Meer minimumuren betekenen doorgaans meer basiszekerheid: je kan beter plannen, je loon wordt minder grillig, en je staat sterker tegenover de willekeur van te korte maandroosters. Voor werkgevers betekent dit tegelijk dat personeelsplanning strakker moet: je kan niet onbeperkt terugvallen op extreem korte maandinzet wanneer het rustiger is.

In bredere zin past dit in een trend die je ook in andere landen en sectoren ziet: bij flexibele arbeid probeert men grenzen te trekken zodat flexibiliteit niet eenzijdig wordt. Het is een poging om flexibiliteit werkbaar te maken, met een bodem onder het aantal uren.

Kortom: deze maatregel maakt het leven in een onregelmatige sector net iets meer voorspelbaar—niet door elke shift vast te klikken, maar door een minimumkader te zetten waar roosters en lonen niet onder mogen zakken.

Meer lezen:


Deze analyse is automatisch gegenereerd op basis van het meest recente Belgisch Staatsblad. De geselecteerde onderwerpen zijn gekozen op basis van hun verwachte impact op het dagelijks leven van Belgische burgers.

Belangrijk: Dit artikel bevat een samenvatting en interpretatie. Raadpleeg altijd de officiele teksten in het Belgisch Staatsblad voor de volledige en bindende informatie.

Gegenereerd op: 25/03/2026 om 06:34