In de nieuwste reeks maatregelen vallen drie thema’s op die het dagelijkse leven raken: wie naar de rechter stapt in vergunningsdossiers zal sneller de portemonnee moeten openen, eigenaars en beheerders van waardevol erfgoed krijgen er een nieuwe financieringsvorm bij, en betaaldiensten (zoals betaalapps en andere betalingsinstellingen) schuiven verder op richting dezelfde strenge logica als de Europese bankregels. Samen tonen ze hoe beleid vandaag tegelijk probeert te sturen op rechtszekerheid, behoud van patrimonium en financiële stabiliteit.

Procederen over omgevingsvergunningen wordt duurder door hogere rechtsplegingsvergoeding

Wie een procedure voert rond een omgevingsvergunning (bijvoorbeeld over een bouwproject, een verkaveling of een grote verbouwing) kan bij winst of verlies te maken krijgen met een rechtsplegingsvergoeding: een vaste tegemoetkoming in de kosten van de tegenpartij. Die bedragen worden nu opgetrokken.

Concreet stijgt het basisbedrag naar 910 euro, met een minimumbedrag van 182 euro en een maximumbedrag van 1820 euro. Het gaat om een aanpassing die mee opschuift met de levensduurte: wanneer de consumptieprijsindex voldoende stijgt, worden de bedragen automatisch mee geïndexeerd. Het effect is simpel: de financiële drempel om te procederen wordt hoger, zeker voor wie het risico loopt om bij verlies ook die vergoeding te moeten dragen.

In de praktijk kan dat twee kanten uitgaan. Enerzijds kan het mensen afremmen om “voor alle zekerheid” een procedure te starten, omdat de mogelijke kost zwaarder doorweegt. Anderzijds worden partijen die wél een sterke zaak hebben, nog meer gemotiveerd om hun dossier grondig voor te bereiden: met duidelijke argumenten, goede timing en professionele ondersteuning waar nodig. Voor buurtbewoners, projectontwikkelaars, lokale besturen en iedereen die bij vergunningsdossiers betrokken is, verandert vooral de rekensom: procederen blijft mogelijk, maar de prijs van een juridisch gevecht wordt zichtbaarder.

Vlaanderen voert een ‘Erfgoedlening’ in: niet alleen premies, ook geld dat je terugbetaalt

Renoveren of restaureren van onroerend erfgoed is vaak een financieel mijnenveld. Een historisch dak, authentieke ramen of stabiliteitswerken in een beschermd pand zijn zelden “standaardwerken”, en de factuur volgt datzelfde patroon. Naast premies en subsidies komt er daarom een extra instrument bij: Vlaanderen kan voortaan ook erfgoedleningen verstrekken.

Het idee is dat ondersteuning voor erfgoed niet alleen hoeft te bestaan uit een premie die je krijgt, maar ook uit financiering die je helpt om werken sneller te kunnen uitvoeren, gespreid in de tijd. Dat kan vooral nuttig zijn wanneer de nood hoog is maar de cashflow laag: denk aan een vzw die een erfgoedsite beheert, een lokale erfgoedorganisatie die een depot opknapt, of een eigenaar die dringend moet ingrijpen om verdere schade te voorkomen.

De Vlaamse Regering krijgt de ruimte om de praktische spelregels vast te leggen: hoe je aanvraagt, wanneer je in aanmerking komt en onder welke modaliteiten. Ook kan Vlaanderen samenwerken met een partner om die leningen in de praktijk te organiseren. Belangrijk om te weten: de grote startknop staat op 31 december 2027, al kan de Vlaamse Regering bepaalde onderdelen ook vroeger laten ingaan. Voor erfgoedzorg betekent dit een verschuiving naar een bredere “gereedschapskist”: niet óf premies óf subsidies, maar een mix waarbij een lening het verschil kan maken tussen uitstel en actie.

Betaalapps en betaaldiensten: regels schuiven op naar strengere Europese banklogica

Betaalapps en andere betaaldiensten lijken vaak licht en digitaal, maar achter de schermen draait alles om vertrouwen: geld moet veilig verwerkt worden, risico’s moeten beheersbaar blijven, en er moet voldoende financiële buffer zijn voor activiteiten die wél risico dragen. Daarom worden de regels voor betalingsinstellingen verder afgestemd op het Europese kader dat ook voor banken richtinggevend is.

De kern zit in de manier waarop “buffers” (eigen vermogen) worden bekeken, zeker wanneer een betalingsinstelling kredieten verleent die gelinkt zijn aan betalingsdiensten. In dat geval moet er volgens het toezicht een minimale kapitaalbuffer tegenover de risico’s staan, in lijn met Europese berekeningsmethodes. De wijziging komt er ook om verwarring te vermijden doordat Europese regels zijn aangepast en hernoemd: wat vroeger onder één titel of hoofdstuk viel, is intussen herschikt, waardoor nationale teksten moeten mee-evolueren zodat iedereen dezelfde taal spreekt.

Voor het brede publiek verandert er niet plots een knop in een app, maar de impact kan wel indirect voelbaar zijn. Strenger en duidelijker toezicht kan betekenen dat betaaldiensten hun krediet- of betaalproducten voorzichtiger vormgeven, dat ze sterker moeten aantonen dat risico’s afgedekt zijn, en dat de lat voor financiële soliditeit hoger ligt. In een markt waar snelheid en gebruiksgemak vaak voorop staan, legt deze aanpassing de nadruk op het stille fundament: betrouwbaarheid, weerbaarheid en een gelijk speelveld met Europese normen.


Deze analyse is automatisch gegenereerd op basis van het meest recente Belgisch Staatsblad. De geselecteerde onderwerpen zijn gekozen op basis van hun verwachte impact op het dagelijks leven van Belgische burgers.

Belangrijk: Dit artikel bevat een samenvatting en interpretatie. Raadpleeg altijd de officiele teksten in het Belgisch Staatsblad voor de volledige en bindende informatie.

Gegenereerd op: 17/06/2026 om 08:08